Het wilde Westen E-mail

Het verhaal van het Wilde Westen begint in Europa. Vanuit daar vertrokken gedurende de achttiende en negentiende eeuw grote groepen immigranten naar Amerika, wat toen de “ Nieuwe Wereld” werd genoemd. Het waren vooral Duitsers, Schotten, Nederlanders, Portugezen, Engelsen en ook veel joden die de oversteek maakten. Sommigen van hen deden dat omdat ze een afwijkende politieke opvatting hadden die in hun eigen land niet getolereerd werd, of omdat ze er niet hun geloof mochten belijden. Verreweg de meeste vertrokken echter om economische redenen. Allemaal hadden ze in ieder geval gemeen dat ze op een dag besloten te gaan sparen voor de overtocht, en vervolgens met hun hele hebben en houden de oceaan overtrokken om te gaan leven in het nieuwe land. Een zeer ingrijpende beslissing, waarvoor moed nodig is.

Aanvankelijk zochten de meeste van hen werk in één van de snelgroeiende steden aan de oostkust, zoals New York, Boston, of Philadelphia. Degene die boer waren geweest in Europa, begonnen meestal een boerderij net buiten de steden. Vruchtbaar land was er genoeg en door de snelle toename van de bevolking was er altijd veel vraag naar voedsel. Een boerenbedrijf leverde dus veel geld op. Rond 1780 was de eerste strook natuur ten westen van de steden door de boeren in cultuur gebracht.

Doordat de immigrantenstroom bleef groeien, de vraag naar voedsel en werk toenam, vestigden steeds meer boeren zich in de wildernis. Nieuwe boerderijen werden altijd gebouwd ten westen van de boerderijen die de“ pioniers” voor hen hadden gebouwd. (Een pionier is iemand die nieuwe wegen opent en onbekende stukken land verkent.) Dit ging tientallen jaren zo door. Steeds werd er een nieuw stuk wildernis in gebruik genomen. Een huis dat in de wildernis gebouwd was, lag na een paar jaar al temidden van andere huizen. Het gebied van de geïmmigreerde Europeanen breidde zich uit en schoof op naar het westen en zou uiteindelijk vrijwel het hele continent in beslag nemen. Deze westwaartse beweging noemt men “ de trek naar het westen”. Het grensgebied dat steeds meer naar het westen opschoof noemde men de “ frontier” (frontier betekent ‘grens’ in het Frans). Op deze wijze ontstond Amerika. Zoals onze voorouders in Nederland het land hebben veroverd op het water, hebben de voorouders van de Amerikanen het land veroverd op de wildernis en alles wat zich daarin bevond.

Het leven aan de frontier was hard. Met de dichtstbijzijnde buren op enkele kilometers afstand was men overgeleverd aan de grillen van een voor hen onbekend klimaat, wilde dieren en indianen.
De indianen waren de oorspronkelijke bewoners van het continent. De trek naar het westen zou gepaard gaan met een langdurige strijd tussen de blanken en de indianen, met als gevolg de vrijwel totale uitroeiing van het indianenvolk. Het grootste probleem tussen de twee groepen was dat de immigranten het land beschouwden als iets dat je kunt bezitten. Voor indianen was dat een onvoorstelbare gedachte. Zoals wij ons ook niet kunnen voorstellen dat je lucht kunt bezitten, vonden de indianen dat dit ook gold voor land: het is er gewoon, je kunt het niet bezitten. Veel indianen waren nomaden die met hun kuddes vee over de graslanden trokken. Dit botste met de wijze van bestaan van de blanken, die land bewerkten, spoorrails aanlegden, en permanente huizen, stadjes en faciliteiten als watertorens bouwden. Maar ook als de indianen wel het begrip ‘eigendom’ ten opzichte van land hadden gekend dan was het de vraag geweest of ze er beter vanaf waren gekomen. De wapens van de blanken waren beter, en in de Nieuwe Wereld lieten de Europeanen het recht van de sterkste gelden. Daarnaast werden de indianen in hun ogen beschouwd als halve beesten.
In ieder geval bracht de strijd tussen de blanken en de indianen met zich mee dat de enkele pionier, die met zijn vrouw en kinderen in een huisje in de wildernis woonde, niet anders dan grote vrees kon hebben voor de indianenstammen in de buurt.

Het gemak waarmee de kolonisten aan de frontier rijk werden, begon halverwege de negentiende eeuw op te vallen aan de oostkust. Bovendien bevond de frontier zich nu niet langer in bossen moeilijk te bewerken bossen, maar op enorme graslanden waar geen einde aan leek te komen en waarop onafzienbare kuddes van tienduizenden runderen graasden. Door de steeds grotere toename van de bevolking in de oostelijke steden, was er daar veel behoefte voedsel. De runderen in het westen konden veel geld opleveren in de vleesproductie. Het enig wat men hoefde te doen was het land te claimen, de runderen die erop liepen te vangen en naar het oosten brengen. Rond 1850 vielen de rijke ondernemers dan ook over elkaar in het zuiden van de verenigde staten. Stukken land zo groot als Nederland werden in één keer geclaimd. De kolonisatie van het zuidwesten van de verenigde staten ging dus enorm snel. 

In die eerste dagen was er aan de frontier nauwelijks politie, of zoals dat in Amerika heet, een sheriff en zijn “ deputies” , aanwezig om eventuele overtredingen en misdaden te straffen. In een gebied waar nauwelijks mensen wonen kan een sheriff niet veel uithalen. Bovendien zaten de pioniers zelf niet te wachten op een sheriff. Politie kost geld. Ze waren naar de frontier getrokken om geld te verdienen, niet om belasting te betalen. Dat betekende dat men voor zichzelf op moest komen en dat deed men ook. Iedere pionier had een geweer. Als er indringers op zijn grondgebied (zijn ranch) kwamen, aarzelde hij niet om te schieten.
Toen echter de laatste grote gebieden in het zuiden van de Verenigde Staten, later de staten Texas, Arizona en New Mexico, in hoog tempo werden ingelijfd, kreeg men behoefte aan sheriffs. Want men verdiende binnen korte tijd zeer veel geld met het vee, en dat trok zeer veel geldbeluste mannen aan. Maar er was geen enkele gezagsdrager die toezicht hield en bescherming bood. Het gevolg was dat iedere ondernemer een klein legertje van huurlingen in de arm nam om zichzelf te beschermen tegen dieven. Zo’ n legertje noemde men ook wel een “Posse”.

De cultuur van de cowboy en het wilde westen werd dus bepaald door ondernemers die snel rijk wilden worden en cowboys (letterlijk vertaald betekent cowboy: koe-jongen) die in dienst waren van die ondernemers. De cowboys moesten het vee vangen, brandmerken en in de zomer naar het noorden opdrijven. In het noorden lagen inmiddels de spoorlijnen, waarmee het vee verder naar de oostelijke steden werd getransporteerd. Het doel was om ieder jaar zoveel mogelijk stuks vee naar het spoor te krijgen. Daar wachtten tussenhandelaren die het vervoer naar de steden op zich namen en voor het vee wilden betalen. Iedere koe was geld waard, hoe hij daar gekomen was, vond men niet belangrijk. Door de afwezigheid van een krachtig optredende sheriff, kon een groep bandieten, halverwege de route naar het noorden, een kudde van een ondernemer overvallen, de cowboys doodschieten en zelf de kudde verder brengen naar het noorden. Ook kon men ’s nachts in stilte een deel van de kudde afpakken.

Als de bandieten dat konden doen, waarom reden ze dan niet direct naar het huis van de ondernemer zelf om dat te overvallen, of nog beter, overvielen ze geen bank waar het geld van meerdere ondernemers tegelijk werd bewaard? De kans dat ze door de sheriff werden gegrepen was niet erg groot. In het uitgestrekte land konden bandieten zich makkelijk schuilhouden. Dit alles gebeurde dan ook veelvuldig. Je kunt je voorstellen dat er halverwege de negentiende eeuw haast niemand zonder pistool of geweer op pad ging in het zuidwesten van de verenigde staten. Men kon elkaar niet vertrouwen. Er was een hoop geld te verdienen, en er was vrijwel geen enkel gezag. Vandaar de naam het “ Wilde Westen”. 

Meer weten?
Bron van deze informatie, inc plaatjes : http://www.albatheaterhuis.nl/producties/billythekid/ckv/billythekid_albatheaterhuis_ckv_het_wilde_westen.html